U bevindt zich hier: >
index >
kraambed >
voeding >
borstvoeding
Borstvoeding
Anatomie en werking van borsten
Borsten bestaan uit melkliertjes, vetweefsel en bindweefsel. De hoeveelheid vet- en bindweefsel in een borst bepalen
de vorm en grootte. Het uiterlijk van een borst heeft dus geen enkele invloed op de hoeveelheid en kwaliteit van de
borstvoeding. De melkkliertjes komen uiteindelijk allemaal uit in de tepel waar ze hun uitgangen hebben. Deze uitgangen
verdikken zich net onder de tepel waardoor ze een reservoir vormen. Om de tepel heen zit een donkere ring: de tepelhof.
Op de tepelhof kun je kliertjes vinden (soms duidelijk te zien als bultjes) die vet afscheiden waardoor je tepel tegen
de buitenomgeving beschermd wordt. Om de melkkliertjes en hun afvoerbuizen zitten kleine spieren die de melk naar de
tepel kunnen stuwen.
In de zwangerschap komen er meer melkklieren en worden de bestaande klieren groter. Daarom worden ook de borsten zelf
groter. De tepel wordt groter en komt meer rechtop te staan. De tepel en tepelhof worden donkerder van kleur. Al in
de zwangerschap wordt er gelige, waterige melk gemaakt, die soms al uit de borst lekt. Deze melk heet colostrum en
is de melk die de baby de eerste dagen binnenkrijgt.
Bij de borstvoeding zijn twee hormonen van belang. Allereerst het hormoon prolactine. Dit hormoon wordt in grotere
hoeveelheden aangemaakt na de bevalling als het zwangerschapshormoon oestrogeen afneemt. Prolactine zorgt ervoor dat
de melkproductie op gang komt. Hoe meer prolactine hoe meer melk er gemaakt wordt.
Het tweede belangrijke hormoon is oxytocine. Dit hormoon komt ook bij mannen voor maar wordt bij de vrouw aangemaakt
als de zenuwen in de borst gestimuleerd worden, zoals bij het zuigen aan de borst. Oxytocine zorgt ervoor dat de
spieren rond de melkkliertjes de melk naar de melkreservoirs stuwen. Deze beweging heet de toeschietreflex en zorgt er
voor dat de melk net onder de tepel klaarligt voor de baby om uit de borst te zuigen.
De productie van oxytocine is psychisch beinvloedbaar. Als de moeder moe, bang of bijvoorbeeld gestresst is dan wordt
er minder oxytocine aangemaakt. Hierdoor kan de toeschietreflex tegengehouden worden waardoor de melk achter in de
borst blijft zitten.
Oxytocine is trouwens ook het hormoon dat tijdens de bevalling aangemaakt wordt en ervoor zorgt dat ook de spieren
van de baarmoeder samentrekken (weeën). Na een bevalling zorgt het niet alleen voor samentrekken van de spiertjes
in de borst, maar ook nog steeds voor samentrekken van de baarmoeder. Dit kan gevoeld worden als "naweeën". Deze
samentrekkingen zorgen ervoor dat de vrouw minder bloed verliest en dat de baarmoeder sneller zijn oorspronkelijke
grootte en plaats weer inneemt.
Vraag en aanbod
Ook prolactine wordt geproduceerd als de zenuwen in de borst gestimuleerd worden. Hoe meer stimulatie hoe meer
prolactine. Stimuleren van deze zenuwen gebeurt door het zuigen aan de borst maar ook door kolven met de hand
of met een kolf. De grootste afgifte van prolactine vindt plaats, ongeveer een half uur na het begin van een voeding.
Als die borst binnen drie uur weer gestimuleerd wordt, dan zal er alleen maar meer prolactine en dus meer melk
geproduceerd worden. Is de borst na vier uur echter nog niet gestimuleerd dan zal een remmende stof (PIF) de aanmaak
en afgifte van het prolactine tegengaan en zal de melkproductie verminderd worden. Deze twee stoffen zorgen samen
uiteindelijk voor een evenwicht in de melkproductie.
Als er (nog) niet genoeg melk voor de baby is, zal deze vaak willen drinken (honger) en wordt door het veel stimuleren
de prolactine- en melkaanmaak opgevoerd. Als er veel melk is, zal de baby zich pas na een uur of vier weer melden voor
een voeding en zal PIF zorgen dat de melkproductie wat minder wordt.
Het bereiken van zo'n evenwicht kan echter wel 2 of 3 dagen duren.
De eerste dagen na de bevalling
Meteen na de geboorte is de baby meestal erg alert en wakker. In dit uur zijn de reflexen van de baby sterk en zal
de baby ook fanatiek op zoek gaan naar eten (zuigreflex). Dit uit zich in het drifig bewegen van het hoofd tot zijn mond iets
tegenkomt waar het op kan gaan zuigen. Vaak zijn dit (toevallig) de eigen knuistjes of de pink van mama, papa of de
verloskundige. Als de baby tijdens dat zoeken echter in de buurt van de borst wordt gelegd zal hij met wat hulp zo
ook de tepel en tepelhof van de moeder kunnen vinden en zal hierop dan automatisch gaan zuigen. Hoe je de baby hierbij
kan helpen, kun je verderop in de tekst lezen.
Dit snelle aanleggen zorgt ervoor dat de prolactine- en ook de oxytocine-aanmaak meteen gestimuleerd worden.
Terwijl de baby de eerste beetjes colostrum al uit de borst zuigt, wordt er nieuwe melk geproduceerd en stuwt de
oxytocine de rest van het colostrum alweer naar de reservoirs. De baby past zich op dit proces automatisch aan door
eerst een paar minuten snelle, korte zuigbewegingen te maken en daarna pas lange diepe halen te maken bij het zuigen.
Door de snelle bewegingen stimuleert de baby de aanmaak van oxytocine wat zorgt voor de toeschietreflex. De melk schiet
naar voren waar het de reservoirs vult. De baby voelt dat er melk klaar ligt voor hem en zuigt deze er met langzame
diepe teugen uit. De langzame halen zorgen voor meer prolactineproductie waardoor uiteindelijk meer melk wordt gemaakt.
Tijdens het drinken zal de baby even drinken, maar ook steeds even pauze nemen. Dit hoort bij een normaal drinkpatroon
en zorgt ervoor dat de lege melkreservoirs onder de tepel steeds weer vol kunnen lopen met een nieuwe hoeveelheid melk.
Instinctief weet de baby dat dit patroon het meest energie-zuinig is.
De baby heeft meteen na de geboorte goed en lang aan de borsten gedronken. We weten nu dat de techniek dus bekend is
bij de baby en dat de aanmaak van melk al meteen opgevoerd wordt. Belangrijk is nu om seintjes te blijven geven dat de
productie omhoog mag. Sommige baby's melden zelf regelmatig (soms elk uur) dat ze honger hebben en "zoeken" dan naar
eten. Als ze dit niet doen, dan is het wel verstandig om overdag de baby elke twee of drie uur wakker te maken en te
proberen aan de borst te laten drinken. Des te meer prolactine wordt er aangemaakt en daarmee ook melk.
In deze dagen zijn de kleine beetjes van het colostrum ruim voldoende voor de baby om zijn vocht en energie op peil te
houden.
Na een aantal dagen (bij een eerste kindje meestal na een dag of vier, bij volgende kindjes kan dit eerder) begint dit
systeem zijn vruchten af te werpen. De moeder merkt dat de melkproductie goed op gang is, doordat haar borsten groter
worden en gespannen aanvoelen. Dit heet stuwing en is dus een goed teken. Sommige vrouwen hebben hier twee
dagen last van, maar andere vrouwen merken niet veel omdat de baby de productie bij kan houden met het leegdrinken
van de borst. Uitleg en tips kom je ook verderop tegen.
Na de stuwing komt er vaak langzaamaan een (rustiger) schema in de borstvoeding. Je gaat gewoon door met voeden op
verzoek maar als je kindje zich niet meldt, mag je hem best vier uur laten liggen voor een voeding. Kwam je daarvoor
soms aan 10 of 12 voedingen per 24 uur, nu gaat je kind over op een schema van ongeveer 7 voedingen.
Het schema van vraag en aanbod zal nog een paar keer voor een nieuw evenwicht gaan zorgen. Ongeveer twee weken na de
bevalling, maar ook na zes weken, drie en zes maanden kun je regeldagen ondervinden. Dit zijn dagen waarop je merkt
dat de melkproductie niet genoeg is, voor de vraag van de baby. De baby zal vaak en lang willen eten en onrustig zijn.
Vooral in deze tijden is het voeden op verzoek zo belangrijk. Ook als je baby na een uur al weer wil eten is het
belangrijk hem/haar dan aan te leggen. De productie gaat continu door dus na een uur zal er al weer wat melk
klaarliggen. Wat echter nog belangrijker is van dit vele aanleggen is dat er heel veel seintjes doorgegeven worden,
zodat de prolactine- en melkproductie sterk verhoogd gaat worden. Deze dagen kosten veel energie van je, vooral omdat
rust/eten/drinken voorwaarden zijn voor je melkproductie, maar het evenwicht in aanmaak en behoefte van melk zal na
twee dagen hersteld zijn.
Wat je wel in je achterhoofd moet houden, is dat je de baby wel vaak aan mag/moet leggen, maar dat een borst na een
minuut of 25 de grootste hoeveelheid melk kwijt is en dat je de baby dan van de borst af moet halen. Je kunt hem/haar
dan beter nog eens aan de andere borst aanleggen.
Aanleggen begint met wennen aan elkaar. Moeder en kind liggen tegen elkaar aan, herkennen elkaars geur en raken elkaar
aan. De baby zal na het geboren worden, in de armen van de moeder tot rust komen en door alle zintuigen te gebruiken
een band met zijn moeder opbouwen.
Allereerst moet dan de moeder in een goede houding gaan liggen. Zeker als je voor het eerst borstvoeding geeft is
overzicht belangrijk. Bovendien drinkt een kind vaak 20 tot 30 minuten en krijg je last van je spieren als je al die
tijd in een ongemakkelijke houding ligt. Na de bevalling is de zijligging meestal de meest comfortabele en ontspannende
houding. Zorg ervoor dat je helemaal doordraait op je zij, gebruik eventueel een kussen in je rug en zeker een
kussentje tussen je knieen. Je hoofd wordt ondersteund door een of meerdere kussens maar je schouder en armen zijn
"vrij".
Nu leg je de baby in de goede houding tegen je aan. Deze houding voor de baby is dezelfde als die van jezelf.
De baby moet altijd met zijn buik tegen jouw buik aan liggen zodat hij/zij het hoofd niet hoeft te draaien om bij
de tepel te komen. Rug en hoofd van je kindje vormen een rechte lijn en de baby ligt dus ook op de zij als jij op je
zij ligt. Je arm die onder ligt, leg je om de baby heen. Deze arm heeft het hoofd van het kind in de elleboogplooi
en steunt de rug van de baby tot aan de billen.
De baby ligt met zijn mond precies op hoogte van de tepel. Met de andere hand wordt aan de basis van de borst, de borst
vastgepakt. De duim rust bovenop de borst, de vingers steunen de borst van de onderkant. Let op dat je niet te dicht
bij de tepel vastpakt, want daar druk je precies op de reservoirs en kun je de toevloed van melk dichtdrukken.
Met deze ondersteunende hand kun je de borst een beetje sturen, zodat de tepel tegen de wangen en de onderlip van de
baby tikt. De baby reageert hierop door te gaan zoeken naar de tepel en draait zijn mond naar de tepel toe. Op het
moment dat de tepel op de lip tikt zal de baby de mond openen. Belangrijk is dat het kind de mond ver opent, want bij
goed zuigen aan de borst heeft het kind niet alleen de tepel, maar ook een groot stuk tepelhof in de mond.
Als je ziet dat je baby een grote hap neemt, trek je rustig je hele kindje in zijn geheel, met de arm achter zijn
ruggetje, naar de borst toe. JE DUWT DUS NIET DE BORST IN DE MOND EN HAALT DE BABY NIET ALLEEN AAN ZIJN ACHTERHOOFD
NAAR DE BORST. De baby voelt de tepel tegen zijn gehemelte en zal gaan zuigen. Je ziet dat de baby een heel stuk
van de borst in zijn mond heeft, dit trekt steeds een beetje mee naar binnen. Als je baby de borst goed vastheeft,
krullen allebei zijn lippen naar buiten; check dit elke keer als je twijfelt. Vooral de onderlip wordt wel eens mee
naar binnen gezogen. Bovendien zie je bij het goed aanleggen van een baby de tong aan de onderkant over de borst
glijden.
Als je je kind met de buik tegen je eigen buik aan hebt liggen, is het niet nodig zijn/haar neusje vrij te houden.
Als je kind wel moeite heeft door de neus te ademen kun je beter proberen het buikje nog meer tegen je aan te trekken
zodat het hoofd van de baby in een andere hoek komt te liggen tegenover je borst. Door de borst in te deuken kun je
namelijk weer de reservoirtjes dicht duwen.
Een kind dat de borst goed vastpakt trekt dit vacuum. Je moet dus geen grote smakgeluiden kunnen horen die erop wijzen
dat de baby lucht meezuigt. Door dit vacuum hebben borstvoedende kinderen vaak ook minder last van krampjes en hoeven
ze niet altijd een boertje te laten na het eten.
Het aanleggen kan de eerste 10 seconden pijnlijk zijn. Als een kindje goed aan de borst ligt, zal dit gevoel wegebben.
Bovendien krijg je bij goed aanleggen minder snel tepelkloven. Blijft het pijn doen of denk je dat de baby alleen de
tepel in zijn mond heeft of geen goede drinkhouding heeft, haal hem/haar dan van de borst af en leg opnieuw aan.
Als je doorgaat met voeden als een kind verkeerd aanligt, heb je snel tepelkloven omdat de tepel dan tegen het harde
gehemelte van de baby aanschuurt (bij goed drinken komt de tepel helemaal tot aan het zachte gehemelte). Bovendien moet
de baby veel harder zuigen als hij of zij niet goed drinkt en zal deze kracht (op de kwetsbare zijkanten van de tepel)
ook voor kloven kunnen zorgen.
Als je kind van de borst wil halen, moet je eerst het vacuum in de mond verbreken. Anders zal er veel aan je tepel
getrokken worden, dit kan weer voor kloven en of pijn zorgen. Je verbreekt het vacuum door met een (schone) pink in de
mondhoek van de baby naar binnen te gaan tot je voelt dat de baby loslaat.
Verloskundigenpraktijk 't Noorden 14-feb-2005
Meer informatie:
voeding
borstvoeding links
borstvoeding boeken